sampetter

Zoek in het woordenboek

Woordenboek(en)

Term Betekenis
sampetter

sampetter 1. (veroud.) veldwachter: nog geg. d. W. (Mdb. en omg.; Njoos.; Amd.; Srk.; Grij.; Ok.; Dob.; Wkp.); Z.B. (Ndp.; Hkz.; Ha.; Gs.; Ktg.; ler. Wmd.); T. (Tln.); Sch.-D.; Ofl. (Mdh.); uitspr. sjampetter: Z.V.W. en O. en nst. sampetter: Sch.-D. Aant. Adb.; het wrd. is in de grensstreek (Eede) nog gebruikelijk; sjampetter: Wmd. F. C.Dominicus: Taal en Tongval 15-22-'62 Oude Zuid-Bev. Woorden p. 176.
Zie:
velwachter.
2. borrelglaasje zonder of met gebroken voet: Wkp.
Zie:
die:nderglaesje
kaoilôôpertje;
koessie:rtje;
peedraegertje;
rakkersglaesje;
staondertje.